
Strucutuur op vakantie -Ervaringsordening
Elk persoon ordent ervaringen op zijn eigen manier. Sommige benaderen fluitend een nieuwe situatie, terwijl je anderen de tijd moet geven om een nieuwe situatie te leren kennen.
Is mijn lichaam veilig? (1.lichaamsgebonden deel)Is de omgeving betrouwbaar? (2.associatief deel) Ken ik de samenhang? (3.Structurerend deel) Mag ik mijzelf zijn? (4.vormgevend deel). Bij elke situatie komen deze 4 kernonderwerpen terug. Bij mensen met een beperking kan het extra belangrijk zijn om stil te staan bij deze kern onderwerpen beginnend bij 1. en eindigend bij 4.
De fout die het meest wordt gemaakt, waardoor een situatie de volgende keer wordt gemeden is het overslaan van de stappen. ''Maar je kent de samenhang toch? Hier waren we vorige jaar ook op vakantie! Waarom wil je nou niet uit de auto?'' Misschien kent de persoon de Samenhang wel en is de omgeving betrouwbaar, maar vergeet je te kijken naar stap 1 en is zijn/haar lichaam niet veilig' Misschien is een betrouwbaar knuffeltje zoek of moet diegene wel heel nodig naar de wc. Een ander ding kan zijn dat jij als ouder/verzorger wel heel gestresst overkomt, waardoor de omgeving niet veilig voelt. Wat ik ermee wil zeggen is alsvolgt. Probeer verder te kijken, neem de tijd en zo mis je nooit meer een aanwijzing.
Stel jezelf de vragen die ik heb benoemd in alinea 2 en hopelijk heb je een gestructureerde vakantie waar jij en je familie ook echt vakantie hebben.
Bij vragen mag je altijd even contact opnemen!
Overprikkeld vs onderprikkeld
Overprikkeling of onderprikkeling?
Overprikkeling en onderprikkeling lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan, maar niets is minder waar. Wanneer je kijkt naar de gedragingen die bij beide kunnen horen, kom je erachter dat het verschil in uiting soms verrassend klein is.
Zo kan schreeuwen zowel wijzen op overprikkeling als op onderprikkeling. Het verschil? Dat hangt af van de situatie. Wat gebeurt er? Wie zijn er aanwezig? Hoe zijn de verhoudingen tussen de mensen in de ruimte? Is het rustig, dan ligt onderprikkeling meer voor de hand en vice versa.
Maar wat als een deelnemer zelfstandig en rustig met een bal speelt, en de bal opeens alle kanten op gaat? Het rustige spel verandert ineens in een ongeregeld zooitje, gepaard met geluiden die zowel kunnen passen bij onderprikkeling als overprikkeling. Dan lijkt het erop dat het spel met de bal voorbij is.
Voor de vervolgstap is het belangrijk om in te schatten of er sprake is van onderprikkeling of overprikkeling. Bij overprikkeling wil je rust bieden in een veilige omgeving, terwijl je bij onderprikkeling juist wilt stimuleren en activeren.
In beide situaties is het belangrijk om goed naar de context te kijken en nabijheid te bieden. De juiste aanpak hangt af van wat er vervolgens gebeurt: neemt de onrust toe of keert de rust terug? Door aandachtig te observeren en aan te sluiten bij de behoefte van de deelnemer, kun je beter bepalen wat op dat moment nodig is.
Kijk niet naar het gedrag alleen, maar ook naar welk verhaal het je probeert te vertellen! Zo kijken we niet naar de beperkingen van een deelnemer, maar naar de mens.
Heb je aanvullingen of kom je graag in gesprek? laat je reactie achter!
